Rb. Den Haag 1 mei 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:5177
[WBV 2014/36; wijze toetsing] Samenvatting: De rechtbank ziet zich, mede in het licht van artikel 46, derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU ambtshalve voor de vraag gesteld of de, met ingang van 1 januari 2015 in WBV 2014/36 geïntroduceerde, integrale geloofwaardigheidsbeoordeling dwingt tot een andere, minder terughoudende, toetsing van de feiten dan de hiervoor weergegeven toetsing. De rechtbank stelt vast dat de implementatietermijn van de richtlijn nog niet is verstreken. Ook is geen nationale maatregel genomen die dient tot implementatie van (artikel 46, derde lid van) de richtlijn. WBV 2014/36 kan niet worden aangemerkt als de implementatie van deze richtlijnbepaling. Nog daargelaten dat omzetting van een (bepaling van een) richtlijn bij ten minste een algemene maatregel van bestuur dient plaats te vinden, heeft deze beleidsregel, blijkens de toelichting daarop, betrekking op de wijze waarop verweerder in besluiten de beoordeling van de geloofwaardigheid motiveert. Een lidstaat moet zich blijkens de jurisprudentie van het Hof van Justitie vanaf de inwerkingtreding van een richtlijn gedurende de implementatieperiode onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen. Dit geldt ook voor de rechterlijke instanties. De rechtbank overweegt hieromtrent dat, hoewel de richtlijn ten tijde van belang reeds in werking was getreden, de situatie dat het besluit de verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar brengt, zich hier niet voordoet. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl