Rb. Den Haag 2 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:3523

Verzoek van een derde tot inzage in een AMK-dossier met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur. De regeling terzake van het geven van inzage in en het verstrekken van gegevens over een jeugdige zoals neergelegd in de artikelen 49 tot en met 51 van de Wet op de jeugdzorg geldt als een bijzondere uitputtende regeling die aan de Wob derogeert. De rechtbank overweegt daarbij, naar aanleiding van de parlementaire geschiedenis, dat de wetgever, in ieder geval indien het -zoals hier- om inzage in of verstrekking van een dossier van een jeugdige aan derden gaat, een zeer strikte regeling voor ogen heeft gestaan, inhoudende dat geen inlichtingen dan wel inzage of afschrift van het dossier worden verstrekt, tenzij de jeugdige (of in voorkomend geval diens wettelijk vertegenwoordiger) daarvoor toestemming heeft gegeven. Op dat uitgangspunt worden zeer beperkte uitzonderingen geformuleerd (andere zorgverleners en bureaus jeugdzorg, en dan nog alleen voor zover zij die informatie nodig hebben voor het goed uitvoeren van hun werkzaamheden). De rechtbank is van oordeel dat gelet op de formulering van de artikelen 49 tot en met 51 van de Wjz en de geschiedenis van de totstandkoming ervan, beoogd is de geheimhouding en bekendmaking van bescheiden met betrekking tot de jeugdigen uitputtend te regelen. De rechtbank is voorts van oordeel dat indien een derde als eiser naast of in plaats van een beroep op de Wjz ook een beroep op de Wob zou kunnen doen, ernstig afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen van de Wjz en daarmee aan de doelen die deze wet beoogt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken