Rb. Den Haag 29 april 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8031

herhaalde aanvraag; artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag; Somalië; terugkeerbesluit/inreisverbod Eiser heeft eerder aanvragen ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In de eerste procedure is artikel 1F op eiser van toepassing geacht. Eiser voert aan dat het opleggen van een inreisverbod, terwijl artikel 3 EVRM zich tegen uitzetting verzet, innerlijk tegenstrijdig en derhalve onrechtmatig is. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, richtlijn 2008/115/EG verzet zich tegen verwijdering van een vreemdeling wanneer die verwijdering zal leiden tot een schending van het beginsel van non-refoulement. De rechtbank volgt eiser niet in zijn beroepsgrond. Een terugkeerbesluit betreft de vaststelling dat het verblijf van eiser in Nederland onrechtmatig is en dat een terugkeerverplichting bestaat voor eiser. Dit betekent allereerst dat eiser gehouden is Nederland vrijwillig te verlaten. In het geval van eiser heeft verweerder vastgesteld dat uitzetting naar het land van herkomst in strijd is met het verbod van non-refoulement. Verweerder zal daarom niet overgaan tot fysieke verwijdering van eiser uit Nederland, conform het gestelde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, richtlijn. Noch de tekst, noch de systematiek van de richtlijn verzet zich er vervolgens tegen dat op eiser een terugkeerverplichting blijft rusten. Eiser stelt zich op het standpunt dat hem, indien hij dient te voldoen aan zijn vertrekplicht, slechts de mogelijkheid rest naar een derde land te gaan, waar hij ook wordt toegelaten. Eiser heeft echter geen banden met een derde land, zodat er ook geen aanknopingspunten voor een ander land zijn waarnaar eiser kan terugkeren. Uit artikel 3, aanhef en onder drie, richtlijn volgt dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij niet kan voldoen aan de op hem rustende terugkeerverplichting, al dan niet door te vertrekken naar een ander land dan zijn land van herkomst, en niet aan verweerder om te onderzoeken of de vreemdeling al dan niet aan zijn terugkeerverplichting kan voldoen. Derhalve is het niet aan verweerder om te onderzoeken of eiser kan voldoen aan de op hem rustende terugkeerverplichting, maar aan eiser om aannemelijk te maken dat hij hieraan niet kan voldoen. Eiser doet tenslotte een beroep op artikel 41 en artikel 47 Handvest. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat zijn recht op behoorlijk bestuur, als bedoeld in dat artikel, is geschonden. Het enkele feit dat eisers aanvraag niet heeft geleid tot verlening van de gevraagde verblijfsvergunning, vormt in ieder geval onvoldoende grond voor het oordeel dat zijn zaak niet op onpartijdige of billijke wijze of binnen een redelijke termijn is behandeld. Daarbij is eiser in de onderhavige procedure is gehoord, in de gelegenheid gesteld de door hem van belang geachte feiten en omstandigheden naar voren te brengen middels een zienswijze, heeft hij inzage gehad in zijn dossier en heeft verweerder zijn beslissing afdoende gemotiveerd. Ook eisers beroep op artikel 47 van het Handvest slaagt niet. Immers, eiser heeft een rechtsmiddel kunnen instellen tegen het besluit tot oplegging van het inreisverbod. Dat dit beroep niet de uitkomst heeft die eiser had gewenst, maakt niet dat het ingestelde rechtsmiddel niet kan worden aangemerkt als een doeltreffende voorziening in rechte bij een onpartijdig gerecht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken