Rb. Den Haag 28 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:6651

Het besluit waarbij eiser een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 is verleend, wordt niet in rechte onaantastbaar, voor zover daarin ligt besloten dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning uit hoofde van de grond a van het eerste lid van artikel 29 van de Vw 2000. Op grond van de aan eiser verleende verblijfsvergunning kan aan gezinsleden van eiser een verblijfsvergunning worden verleend op de voet van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000. Gelet hierop heeft eiser thans ook overigens geen belang bij het instellen van beroep tegen het aan de verleende verblijfsvergunning ten grondslag liggende besluit. Procesbelang kan ontstaan, indien eisers verblijfsvergunning wordt ingetrokken. Anders dan uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2009 volgt, kan naar het oordeel van de rechtbank ook tijdens de duur van de aan eiser verleende verblijfsvergunning procesbelang ontstaan. Dit kan het geval zijn, indien aan gezinsleden een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 wordt geweigerd omdat dan vanwege de grond van de aan eiser verleende verblijfsvergunning geen toepassing zal kunnen worden gegeven aan de Gezinsherenigingsrichtlijn. Eiser kan in dat geval verweerder verzoeken om het aan de verleende verblijfsvergunning ten grondslag liggende besluit te heroverwegen en daarbij aanvoeren dat hij als vluchteling had moeten worden erkend. Alsdan zal de terzake van de beslissing tot intrekking of de beslissing op dat verzoek bevoegde rechter zo nodig kunnen treden in een oordeel over de grond waarop de verblijfsvergunning niet is verleend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken