Rb. Den Haag 19 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:6023

Op het moment van het nemen van het primaire besluit I viel eiseres binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2003/109/EG en voldeed zij aan de voorwaarden voor toekenning van de status van EG-langdurig ingezetene. Ambtshalve is de rechtbank bekend dat verweerder aan de bepaling van de derde alinea uit het beleid neergelegd in paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000 (“Indien intrekking in deze gevallen wordt overwogen, wordt de vreemdeling derhalve in de gelegenheid gesteld een aanvraag tot wijziging van de beperking in ‘voortgezet verblijf’ in te dienen.”) vorm geeft door in een brief het volgende op te nemen: “voortgezet verblijf Gelet op uw persoonlijke situatie merk ik voorts op dat u mogelijk in aanmerking komt voor het verblijfsdoel ‘voortgezet verblijf’. Hiervoor dient u wel het inburgeringsexamen behaald te hebben.” Verweerder heeft dit in onderhavige zaak ten onrechte niet gedaan. Toen na 2 oktober 2012 vaststond dat het inburgeringsvereiste niet kon worden tegengeworpen, had verweerder in het kader van het bezwaar tegen het primaire besluit I kunnen beslissen dat die grond niet meer aan de verlening van de status EG-langdurig ingezetene in de weg stond. In plaats daarvan heeft verweerder (in het bezwaar tegen de intrekking) enkele maanden na 2 oktober 2012 (op 13 december 2012) beslist als volgt: “Nu bij beschikking van heden het bezwaar tegen het afwijzen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond is verklaard, is op goede grond de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van betrokkene ingetrokken per 26 augustus 2011”. Verweerder heeft aldus bij de beslissing op bezwaar over de intrekking verwezen naar de beslissing op bezwaar voortgezet verblijf/EG-langdurig ingezetene, zoals die was gemotiveerd met de intrekkingsbeslissing in primo. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank dat procedurele perikelen eiseres hebben belemmerd in de uitoefening van het recht op verblijf als EG-langdurig ingezetene. Daarbij heeft de rechtbank mede in overweging genomen dat verweerder eiseres niet conform zijn eigen beleid in de gelegenheid heeft gesteld een aanvraag voortgezet verblijf in te dienen, die ertoe had kunnen leiden dat eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf”, met als ingangsdatum 26 augustus 2011, zou hebben gekregen en aansluitend een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd onder de beperking “EG-langdurig ingezetene”, met als ingangsdatum 12 april 2012, de datum van de aanvraag. Immers, ook bij die beoordeling was de vrijstelling van het inburgeringsvereiste van belang en in het beleid is de intrekking afhankelijk gesteld van een eventuele verlening van die vergunning voortgezet verblijf. Tevens is de rechtbank van oordeel dat eiseres daags voor het primaire besluit derhalve geen rekening hoefde te houden met een intrekking met terugwerkende kracht van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, nu voornoemd beleid (paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000) voorzag in het vangnet van de mogelijkheid om een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf na verbreking (huwelijks)relatie aan te vragen. Daarbij had een rol kunnen spelen dat er medische gronden waren om zich op de vrijstelling van het inburgeringsvereiste te beroepen. Dat er ten aanzien van eiseres in het kader van het EG-langdurig ingezetenschap geen sprake zou zijn van strijd met de rechtszekerheid (zoals door verweerder in het verweerschrift van 31 mei 2013 en ter zitting is betoogd) volgt de rechtbank dan ook niet. Tenslotte kan niet worden uitgesloten dat eiseres, indien verweerder haar tijdig in de gelegenheid had gesteld een aanvraag voortgezet verblijf in te dienen zoals in het beleid van paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000 is bepaald, reeds voorafgaande aan het primaire besluit I zou zijn geslaagd in de onderbouwing van haar beroep op vrijstelling van het inburgeringsvereiste op medische gronden. Hoewel de Richtlijn 2003/109/EG correct is geïmplementeerd in de Vw 2000, is de rechtbank van oordeel dat het weigeren aan eiseres van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als EG-langdurig ingezetene op de enkele grond dat het langdurig en ononderbroken verblijf van eiseres niet direct voorafgaat aan de aanvraag, afbreuk doet aan het nuttig effect van Richtlijn 2003/109/EG en in strijd komt met het in punt 10 van de considerans van die richtlijn neergelegde beginsel dat procedures doorzichtig en billijk moeten zijn, om de betrokken personen voldoende rechtszekerheid te bieden, en dat zij niet mogen worden gebruikt als middel om de uitoefening van het recht van verblijf door de rechthebbenden te belemmeren. De bepalingen van Richtlijn 2003/109/EG zijn voldoende concreet om ten aanzien van eiseres rechtstreeks te werken. Eiseres kan zich derhalve op deze bepalingen en de strekking en bedoeling daarvan beroepen om daadwerkelijke en volledige toepassing ervan te verzekeren. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiseres in beroep terecht heeft aangevoerd dat het bij het bestreden besluit I gehandhaafde primaire besluit I is genomen in strijd de strekking en het nuttig effect van Richtlijn 2003/109/EG en daarmee in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zoals onder andere in de considerans van die richtlijn verwoord. Ten tijde van het primaire besluit I voldeed eiseres ruimschoots aan de voorwaarden voor toekenning van de status van EG-langdurig ingezetene. Uitsluitend als gevolg van procedurele perikelen, waaronder het niet voldoen van verweerder aan zijn eigen beleid zoals opgenomen in paragraaf B2/8.3 van de Vc 2000, is het recht op die status bij eiseres niet geëffectueerd. Het beroep met kenmerk AWB 13/1288 is reeds daarom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. Het bestreden besluit I dient te worden vernietigd. Gelet op de motivering van het bestreden besluit II kan ook dat besluit niet in stand blijven. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak op beide bezwaren opnieuw moeten beslissen. De rechtbank kan niet beoordelen of zich andere omstandigheden verzetten tegen verlening van de vergunningen en kan daarom niet zelf in de zaak voorzien.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken