Rb. Den Haag 13 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:5668

Vennootschapsbelasting, aftrekbaarheid valutaverliezen op buitenlandse deelnemingen. Belanghebbende is een internationaal opererend concern. In de jaren 2008 en 2009 heeft een reorganisatie plaatsgevonden waarbij ook (buitenlandse) deelnemingen zijn verhangen. In geschil is of de reorganisatie heeft geleid tot aftrekbare valutaverliezen op de buitenlandse deelnemingen. Rechtbank Den Haag stelt voorop dat een valutaverlies dat voortvloeit uit een deelneming op grond van artikel 13, lid 1, van de Wet Vpb onder de deelnemingsvrijstelling valt en daarom in beginsel bij de winstbepaling niet in aanmerking wordt genomen. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat het door het HvJ gewezen arrest Deutsche Shell in dit geval niet noopt tot een afwijking op deze hoofdregel in die zin dat - zoals belanghebbende betoogt - daarop een uitzondering moet worden gemaakt voor valutaverliezen. Naar het oordeel van de rechtbank komt belanghebbende geen beroep toe op dit arrest, omdat geen sprake is van definitief geleden valutaverliezen. De toets of sprake is van definitief geleden valutaverliezen dient niet te geschieden op ‘stand-alone basis’ maar moet plaatsvinden op concernniveau. Nu het uiteindelijke belang in de bij de reorganisatie betrokken dochtervennootschappen binnen het concern in stand is gebleven, hebben de verhangingen niet geleid tot definitieve valutaverliezen en heeft verweerder de valutaverliezen terecht niet in aftrek toegelaten. (Beroep ongegrond.)

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen