Rb. Den Haag 16 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:445

In de bestreden beschikking stelt verweerder dat verzoeker niet kan worden aangemerkt als vluchteling. Voorts stelt verweerder dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat verzoeker daarom terug kan naar Noord-Korea en dat het vestigingsalternatief uitsluitend ten overvloede aan verzoeker is tegengeworpen. In de reactie van 10 januari 2014 stelt verweerder echter dat van gedwongen terugkeer naar Noord-Korea geen sprake is. Verweerder stelt in deze reactie het vestigingsalternatief in Zuid-Korea voorop en concludeert vervolgens dat de vraag of terugkeer vanuit een westers land een risico op schending van artikel 3 van het EVRM met zich meebrengt wegens “Republiekvlucht” gelet op het vestigingsalternatief geen beantwoording meer behoeft, aangezien verzoeker niet zal worden uitgezet naar Noord-Korea. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zijn ter zitting ingenomen standpunt – dat het vestigingsalternatief in Zuid-Korea ten overvloede aan verzoeker is tegengeworpen en verzoeker reeds geen bescherming behoeft nu het asielrelaas ongeloofwaardig wordt geacht – kennelijk weer heeft verlaten en dat van gedwongen uitzetting naar Noord-Korea geen sprake is, gelet op de uitdrukkelijke verklaring van verweerder in de reactie van 10 januari 2014 dat geen uitzetting naar Noord-Korea zal plaatsvinden. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de vraag of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat verzoeker niet kan worden aangemerkt als vluchteling en dat geen sprake is van een risico op schending van artikel 3 van het EVRM hier niet behandelen. Dat betekent dat enkel nog in geschil is of verweerder de asielaanvraag heeft mogen afwijzen op de grond dat verzoeker zich op het staatsburgerschap van Zuid-Korea kan beroepen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen