Rb. Den Haag 26 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:3129
Eiseres vormt vanaf 1995 met haar dochtermaatschappij, aan wie zij eind 2009 een schuld in rekening courant heeft van € 3.964.940, een fiscale eenheid. In 2006 zijn de onroerende zaken van de dochtermaatschappij verkocht. Van de verkoopopbrengst is een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd die begin 2009 een saldo heeft van € 4.533.426. Op 21 december 2009 worden de aandelen in de dochtermaatschappij verkocht aan een niet met eiseres gelieerde vennootschap en op diezelfde dag besluit de algemene vergadering van aandeelhouders (a.v.a.) van eiseres dat de schuld in rekening courant aan de dochtermaatschappij aan de koper wordt overgedragen. Eiseres heeft voor het jaar 2009 een negatieve belastbare winst aangegeven, maar bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder het saldo van de HIR tot de winst van eiseres gerekend. In geschil is of dit terecht is. De rechtbank oordeelt dat verweerder aan de akte van aandelenoverdracht en de notulen van de a.v.a. terecht het vermoeden heeft ontleend dat ten tijde van de verkoop van de aandelen in de dochtermaatschappij geen herinvesteringsvoornemen meer bestond. Met hetgeen eiseres daartegen aanvoert acht de rechtbank het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl