Rb. Den Haag 7 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:1860
Libië; 1(F) onder c van het Vluchtelingenverdrag; ambassadeur Malta; VN-resolutie nr. 748. Gedragingen die in strijd zijn met VN-resolutie, nr. 748 zijn aan te merken als handelingen in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder c, van het Vluchtelingenverdrag. Eiseres kan, als ambassadeur op Malta, verantwoordelijk worden gehouden voor schending van deze resolutie. Er is geen grond voor het oordeel dat het door verweerder uitgevoerde onderzoek, waarin verweerder zowel aan de hand van meer objectieve criteria, zoals de berichtgeving in de media over schending van de resoluties en de positie van de ambassadeur op Malta, als subjectieve criteria, zoals de door eiseres tijdens de gehoren afgelegde verklaringen, haar individuele verantwoordelijkheid voor het schenden van de resoluties heeft aangenomen, niet aan de in het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2010 (B en D tegen Duitsland) gestelde eisen voldoet. Verweerder heef wat betreft de illegale wapentransporten die hebben plaatsgevonden vanuit Malta terecht “knowing participation” aangenomen bij eiseres. Gelet op de vooraanstaande positie die eiseres heeft bekleed als hoogste vertegenwoordiger van Libië op Malta, heeft verweerder haar voor die illegale wapentransporten verder ook individueel verantwoordelijk mogen houden (“personal participation”). Eiseres heeft immers verklaard dat zij als ambassadeur (eind)verantwoordelijk is geweest voor het controleren en afgeven van vrachtbrieven en afgeven van certificaten bij goederen die vanuit Malta naar Libië werden vervoerd. Dat eiseres niet zelf deze documenten heeft afgegeven neemt niet weg dat zij vanuit haar positie als ambassadeur, en gelet op haar onbetwiste wetenschap van de ontduiking van sancties, door zich actiever op te stellen het ontduiken van de internationale sancties (mogelijk) had kunnen voorkomen, althans invloed had kunnen hebben op de mate waarin die sancties zijn ontdoken. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl