Rb. Den Haag 27 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:16486
Eiser heeft met wat hij nu in deze procedure heeft aangevoerd onvoldoende onderbouwd dat hij vanwege zijn individuele situatie in aanmerking moet komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw of dat verweerder homoseksuelen uit Rusland in het algemeen zou moeten aanmerken als sociale groep als bedoeld in paragraaf C2/3.2 van de Vc of als kwetsbare minderheidsgroep als bedoeld in paragraaf C2/3.3 van de Vc. Uit de uitvoering van de “Anti-LHBT-propagandawet”, zoals die thans blijkt uit het door eiser aangehaalde ambtsbericht over de Russische Federatie van juli 2014, volgt niet dat de wijze waarop eiser uiting wil geven aan zijn homoseksualiteit tot vervolging op grond van die wet zal leiden. Verder blijkt uit de door eiser overgelegde stukken weliswaar dat er sprake is van (openlijk) geweld tegen homoseksuelen, maar heeft eiser thans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij hierop met de hem voor ogen staande uiting van zijn homoseksuele gerichtheid een zodanig risico loopt dat dit het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3 van het EVRM rechtvaardigt.
De uitspraak op rechtspraak.nl