Rb. Den Haag 10 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:11665
Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, Wet arbeid vreemdelingen; prioriteit genietend aanbod; afwijking van het diplomavereiste; gelijkheidsbeginsel. Aanvraag afgewezen op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, Wet arbeid vreemdelingen (Wav); prioriteit genietend aanbod aanwezig op de arbeidsmarkt. Eiseres voert aan dat het stellen van het diplomavereiste in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel, nu verweerder in 2011 aan eiseres vier twv-en heeft verstrekt zonder het diplomavereiste tegen te werpen. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat verweerder tot mei 2012 kennelijk aanleiding heeft gezien om af te wijken van het diplomavereiste voor een Indiase specialiteitenkok, omdat verweerder ervan uitging dat gespecialiseerde koksopleidingen in India ontbraken. Verweerder heeft in het bestreden besluit in voldoende mate gemotiveerd dat op grond van verkregen informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over bestaande koksopleidingen in India sinds medio 2012 afwijking van het diplomavereiste niet langer in de rede lag, en sindsdien wél uitvoering werd gegeven aan paragraaf 12 van de Uitvoeringsregels (oud), thans artikel 3 van de RuWav 2014. Nu, anders dan bij de aanvragen van eiseres die zijn gehonoreerd in 2011, verweerder thans beschikt over informatie waaruit blijkt dat er gespecialiseerde koksopleidingen in India zijn, is geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet. Voorts ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder met de afwijzing van de onderhavige aanvraag het beginsel van rechtszekerheid heeft geschonden, noch dat verweerder een rechtens te honoreren verwachting heeft gewekt dat bij iedere aanvraag, niettegenstaande nieuwe feiten of omstandigheden, steeds zou worden afgeweken van het diplomavereiste. Daarbij komt dat verweerder niet kan worden gehouden om een praktijk waarbij werd afgeweken van het bepaalde in paragraaf 12 Uitvoeringsregels (oud), zonder dat daartoe een bevoegdheid bestond, te blijven voortzetten. Ook artikel 3 RuWav 2014, eveneens een ministeriële regeling, biedt immers niet de mogelijkheid tot inherente afwijking met toepassing van artikel 4:84 Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl