Rb. Den Haag 17 april 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7184
Eiser is uitgezonden geweest naar Srebrenica. Vastgesteld is dat eiser lijdt aan een PTSS als gevolg van traumatische militaire oorlogservaringen tijdens zijn uitzending. Eiser is in aanmerking gebracht voor een militair invaliditeitspensioen. Namens eiser is verweerder aansprakelijk gesteld voor de gevolgen die PTSS voor eiser heeft en is daartoe een vordering ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 26 april 2007 de vordering afgewezen omdat zij is verjaard. Rb.: De Rb. zal eerst beoordelen of, zoals gesteld, verweerder inconsistent handelt voor zover het betreft het inroepen van de verkorte verjaringstermijn. Zij stelt vast dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat verweerder willekeurig handelt bij het inroepen van de verkorte verjaringstermijn. Uit de Nota van Toelichting bij de Ereschuldregeling blijkt dat verweerder ook voor de toekomst voornemens is onverkort vast te houden aan zijn beleidsbepaling. Voor zover eiser zich ter onderbouwing van zijn standpunt beroept op de concepttekst van art. 8a van Besluit AO/IV gaat de Rb. daaraan voorbij nu zij het bestreden besluit dient te beoordelen op grond van het recht zoals dat gold ten tijde van de totstandkoming van het besluit. De Rb. onderschrijft het standpunt van verweerder dat eiser voor 12 februari 2002 bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke (rechts)persoon en dat eiser voor die datum zijn aanspraak aan verweerder bekend had kunnen en ook had moeten maken. Aan het betoog van eiser dat hij eerst na het gesprek met zijn raadsman begin 2007 over de kwaliteit van de nazorg heeft begrepen dat verweerder de veroorzaker van de schade was, kan niet dat gewicht worden toegekend dat eiser daaraan wil toekennen. Van eisers psychische klachten kan niet gezegd worden dat de herkomst daarvan voor hem niet zonder meer duidelijk was. Deze gezondheidsschade is in maart 2000 nadrukkelijk als een PTSS gekwalificeerd en in relatie gebracht met de uitzending van eiser naar Srebrenica. Vanaf dat moment kon eiser met voldoende mate van zekerheid weten dat zijn werkzaamheden in dienst bij verweerder de schade hebben veroorzaakt. Anders dan in de gevallen die hebben geleid tot de arresten van de Hoge Raad in Saelman/AZVU (HR 31 oktober 2003, NJ 2006/112, LJN: AL8168) en BASF/Rensink (HR 24 januari 2003, NJ 2003, 300, LJN: AF0694) is er in het geval van eiser geen twijfel over de mogelijke oorzaak van het letsel. In maart 2000 was duidelijk dat de klachten van eiser gerelateerd waren aan de uitzending. Of achteraf geoordeeld in de jaren negentig van de vorige eeuw de kwaliteit van de nazorg te wensen overliet kan in dit geval dan ook niet van doorslaggevende betekenis zijn bij het bepalen van het aanvangstijdstip van de verjaring. Uit het dossier blijkt dat eiser actief op zoek is geweest naar een mogelijke behandeling en oplossing voor zijn klachten en problemen. De Rb. passeert de stelling van eiser dat hij als gevolg van zijn psychische klachten niet in staat is geweest tijdig verweerder aansprakelijk te stellen. Uit de stukken blijkt niet dat de psychische klachten van eiser dusdanig zijn geweest dat het voor hem daardoor niet mogelijk was verweerder aansprakelijk te stellen. Dat geldt temeer nu eiser op 9 februari 2004 in staat is geweest een verzoek om een militair invaliditeitspensioen in te dienen, hetgeen er ook op wijst dat eiser verweerder zag als de veroorzaker van zijn gezondheidsschade. Het standpunt van eiser dat dienstfunctionarissen in het CMH hem hadden moeten attenderen op de mogelijkheid om verweerder voor restschade aansprakelijk te stellen volgt de Rb. niet. Eiser heeft geen geschreven of ongeschreven rechtsregel kunnen duiden op grond waarvan deze functionarissen daartoe gehouden zouden zijn. Ook is de Rb. niet bekend met een dergelijke toentertijd op medewerkers bij het CMH rustende specifieke informatieplicht. Daarbij komt dat eiser sinds 1999 contact had met een belangenbehartiger van de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (BNMO) en ook die persoon zou eiser op de mogelijkheid om verweerder tijdig aansprakelijk te stellen voor restschade hebben kunnen wijzen.
De uitspraak op rechtspraak.nl