Rb. Den Haag 25 juli 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:9536

Bij brief van 28 juni 2013 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat, aangezien eiseres tevens beroep heeft ingesteld tegen het opleggen van een maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid Vw, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 11 juni 2013, LJN: CA3600 en CA3601, het administratief beroep op grond van artikel 6:15, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als beroepschrift wordt doorgezonden naar de rechtbank. (…). Eiseres heeft aangevoerd dat eiseres niet, althans onvoldoende in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, en hiertoe verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2012, LJN: BY7400 en hetgeen de Afdeling daarin heeft overwogen omtrent het unierechtelijk verdedigingsbeginsel. De rechtbank overweegt allereerst dat de primaire stelling van verweerder dat het unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet van toepassing is, omdat in zijn visie met de toepassing van artikel 3 Vw geen recht van de Unie tot uitvoering wordt gebracht, buiten beschouwing kan blijven. Onder verwijzing naar de door eiseres aangehaalde uitspraak, overweegt de rechtbank dat het unierechtelijk verdedigingsbeginsel geen verdere strekking heeft dan dat verweerder bij het nemen van een bezwarend besluit, (voor zover hier van belang) artikel 4:8 van de Awb in acht dient te nemen. Te beantwoorden is daarom de vraag of artikel 4:8 van de Awb is geschonden. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2013 (LJN BZ8389) dat de in het kader van artikel 4:8 van de Awb te stellen eisen afhangen van de strekking van het besluit en de in verband daarmee relevante omstandigheden en belangen. Het gehoor voorafgaand aan de toegangsweigering strekt er toe om te beoordelen of de in artikel 3, eerste lid Vw genoemde weigeringsgronden zich voordoen. Blijkens de stukken is eiseres gehoord en heeft zij bij die gelegenheid verklaard omtrent de (afwezigheid van) een paspoort en andere reispapieren, haar reisroute, en haar financiële middelen. Aldus heeft verweerder haar gehoord omtrent genoemde weigeringsgronden en is zij in staat geweest haar standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop verweerder zijn besluit heeft gebaseerd. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat eiseres onvoldoende in staat is gesteld haar standpunt en belangen naar voren te brengen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen