Rb. Den Haag 24 juli 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:8805

Last onder bestuursdwang op grond van de APV wegens belemmering van de openbaarheid door het plaatsen van een hek op de weg. Beoordeling van de openbaarheid van de weg op grond van de Wegenwet. Nu de weg niet op de legger voorkomt, maar uitsluitend zonder vermelding van naam en nummer op een bij de legger behorende kaart is artikel 49 van de Wegenwet niet van toepassing. De rechtbank oordeelt dat de weg op grond van artikel 4 van de Wegenwet openbaar is geworden. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de weg daarna op grond van artikel 7 van de Wegenwet zijn openbare karakter heeft verloren door het plaatsen van een bordje "eigen weg ". Het gaat volgens eisers bij artikel 7 van de Wegenwet niet om de feitelijke toegankelijkheid, maar om de juridische openbaarheid, en die is teniet gegaan door het plaatsen van de bordjes “eigen weg”, die jarenlang ter plaatse aanwezig zijn geweest. De rechtbank volgt dit standpunt van eisers niet. De rechtbank is van oordeel dat een bord met een opschrift als “eigen weg” geschikt is om te voorkómen dat een weg door tijdsverloop een openbare weg wordt, maar niet kan bewerkstelligen dat een weg die eenmaal openbaar is geworden zijn openbare karakter verliest. De rechtbank is van oordeel dat voor de toepassing van artikel 7 onder I van de Wegenwet beslissend is of de weg voor een ieder toegankelijk is, en dat de wetgever hierbij het oog heeft gehad op feitelijke (on)toegankelijkheid. De rechtbank verwijst naar de conclusie van de Advocaat-Generaal voor HR 23 april 2004 (LJN: AN9692; AB 2004,281), overweging 3.8, en de aldaar door hem aangehaalde literatuur.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen