Rb. Den Haag 29 oktober 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:19059

Weigeren van de verdere toegang, hoorplicht Eisers is de ‘verdere toegang’ tot Nederland geweigerd op de luchthaven Schiphol. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2013 wordt aan een onderdaan van een derde land die zich aan de buitengrens heeft gemeld en te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen de toegang verleend en kan deze toegang worden beperkt. De toegangsweigeringen zijn gebaseerd op artikel 13, eerste lid, SGC, gelezen in samenhang met artikel 3, derde lid, van de Vw 2000. De Rechtbank is van oordeel dat hoewel het eerste lid van artikel 3 van de Vw 2000 daarbij niet uitdrukkelijk is vermeld, gelet op de onlosmakelijke samenhang tussen artikel 3, derde lid, van die wet en het eerste lid daarvan, voldoende vaststaat dat krachtens die bepalingen de verdere toegang kan worden geweigerd. Verder oordeelt de Rechtbank dat gelet op artikel 77, eerste lid, van de Vw 2000 en voornoemde uitspraak van de Afdeling administratief beroep open stond tegen de toegangsweigeringen. De stelling van eisers dat de Kmar niet bevoegd is een toegangsweigering te geven, volgt de Rechtbank niet, nu deze bevoegdheid gebaseerd kan worden op artikel 46, eerste lid, onder 1, van de Vw 2000. Ten slotte is de Rechtbank van oordeel dat eisers niet in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijzen te geven. Nu niet is gebleken dat eisers hierdoor zijn benadeeld, laat de rechtbank de besluiten in stand met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken