Rb. Den Haag 4 oktober 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:16517
Kort geding. Executiegeschil. Hypotheekbank, die de door een (andere) schuldeiser in gang gezette executie niet heeft overgenomen, vordert opheffing van het door die schuldeiser gelegde (executoriale) beslag, opdat de woning waarop het beslag rust onderhands kan worden verkocht door de schuldenaren (de eigenaren van de woning). Niet aannemelijk is dat de woning voor een substantieel hogere prijs kan worden verkocht dan thans overeengekomen. Voorts moet ervan worden uitgegaan dat - gelet op de 'onderwaarde' van de woning - de schuldeiser zijn vordering nimmer uit de opbrengst van de woning zal kunnen incasseren - noch na een executoriale verkoop, noch na een onderhandse verkoop - aangezien voordat tot uitkering van de vordering van de schuldeiser zal en kan worden overgegaan eerst de vordering van de bank, als hypotheekhouder, moet worden voldaan. In die omstandigheid heeft de schuldeiser geen in redelijkheid te respecteren belang bij handhaving van het door hem gelegde beslag, mits de door hem gemaakte executiekosten worden voldaan. Weliswaar wordt daarmee het wettelijke systeem betreffende een onderhandse verkoop door de hypotheekhouder, met alle waarborgen van dien, omzeilt, maar daaraan wordt voorbijgegaan wegens het ontbreken van ieder belang bij handhaving van het beslag. Vordering wordt toegewezen onder de voorwaarde dat de executiekosten worden voldaan aan de schuldeiser.
De uitspraak op rechtspraak.nl