Rb. Den Haag 22 oktober 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:14097
Aanvraag tot verlening van de verblijfsvergunning is buiten behandeling gesteld omdat geen leges zijn betaald. Leges zijn hangende bezwaar betaald. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat het bezwaar gegrond zal worden verklaard, in het kader van finale geschilbeslechting en verzet zich om die reden niet tegen toewijzing van de voorlopige voorziening. Voor de beoordeling van de vraag of verweerder is gehouden tot vergoeding van de proceskosten dient te worden bezien of het besluit wordt herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Dat het besluit niet binnen de in artikel 4:5, vierde lid van de Awb vermelde termijn van vier weken is genomen, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat verweerder de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld, nu die bepaling sinds 1 augustus 2012, in artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is uitgesloten. Dat het bezwaar gegrond zal worden verklaard, maakt ook niet dat het besluit onrechtmatig is, nu verweerder dit in het kader van de finale geschilbeslechting zal doen, en niet omdat het besluit onrechtmatig is. Met betrekking tot de stelling dat op grond van jurisprudentie en een werkinstructie volgt dat verweerder een aanvraag hangende bezwaar alsnog in behandeling moet nemen indien de leges dan worden betaald, overweegt de voorzieningenrechter dat, wat hier verder ook van zij, verzoekster eerst na indiening van het verzoekschrift de leges heeft voldaan. Ook hierin is dan ook geen grond gelegen om tot vergoeding van de proceskosten over te gaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl