Rb. Breda 17 maart 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0264

Naar het oordeel van de rechtbank is de B.V. i.o. in haar oprichtingsfase voor rekening en risico van belanghebbende gedreven en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd aan belanghebbende. Aan het rapport van het boekenonderzoek kan geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat belanghebbende niet als belastingplichtige zou worden aangemerkt. Het niet vermelden van de letters ‘i.o.’op de naheffingsaanslag is een zodanig geringe onvolkomenheid dat naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan omtrent de identiteit van de belastingplichtige (zo ook Hoge Raad 31 augustus 1998, nr. 33 569, BNB 1998/335) en geen sprake is van een onjuiste tenaamstelling. De inspecteur heeft de toepassing van het nultarief wegens intracommunautaire leveringen terecht geweigerd aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van goederenvervoer van de ene lidstaat naar de andere lidstaat. Belanghebbende heeft recht op de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting. De inspecteur niet aannemelijk dat de leverancier geen ondernemer was voor de omzetbelasting. Voor zover de inspecteur in het verweerschrift bedoelt te stellen dat belanghebbende wist of had moeten weten dat hij door zijn aankopen onderdeel was van een BTW-fraude, maakt hij dit niet aannemelijk. (HvJ EG nummer: C-439/04 “Axel Kittel” en C-440/04 “Recolta Recycling BVBA”, gepubliceerd in VN 2006/42.13). Door het niet verstrekken van een afschrift heeft de inspecteur gehandeld in strijd met de Wet openbaarheid van bestuur en is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van bijzondere omstandigheden die leiden tot een integrale proceskostenvergoeding van de bezwaarfase.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen