Rb. Breda 12 juni 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BA8433

De rechtbank acht de Vinkenslagregeling verbindend en oordeelt dat de Vinkenslag-ondernemers op voortzetting van die regeling in het jaar 2003 mochten vertrouwen.. Volgens de rechtbank is inspecteur vanaf 1993 vaststellingsovereenkomsten aangegaan met (het collectief van) Vinkenslagondernemers omdat er, gezien de gebrekkige of afwezige administratie, onzekerheid bestond over de aan belasting en premies verschuldigde bedragen en van de bewoners van Vinkenslag gezien hun bijzondere achtergrond en, naar de rechtbank aannemelijk acht, gebrekkige opleiding, niet kon worden verwacht dat zij de wettelijke verplichtingen op dit punt nakwamen, en was het in 2000 blijkbaar de bedoeling van partijen dat het op basis van de vaststellingsovereenkomst verschuldigde bedrag aan belastingen en premies, als geheel genomen, de wettelijk verschuldigde belasting en premies zoveel mogelijk zou benaderen. De rechtbank beoordeelt de vraag of de overeenkomst in strijd komt met de goede zeden of openbare orde naar de situatie en de kennis die bestonden op het tijdstip dat de overeenkomst werd gesloten, in het onderhavige geval derhalve naar de situatie en kennis van mei 2000. De rechtbank is van oordeel dat van deze vaststellingsovereenkomst die, over het geheel bezien de strekking heeft om op een relatief eenvoudige en goed controleerbare wijze te komen tot een benadering van de verschuldigde belasting en premies zoals die bij een juiste wetstoepassing verschuldigd zouden zijn, mede gezien de blijkbaar reeds in 1993 erkende bijzondere situatie van de inwoners van Vinkenslag, niet kan worden gezegd dat deze zozeer in strijd is met hetgeen de wet - over het geheel bezien - bepaalt met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting, premieheffing volksverzekeringen, omzetbelasting en premie WAZ dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen