Rb. Breda 14 juni 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7400
Art. 4:36 BW; som ineens; salaire différé; arbeid door kind verricht in huishouding erflaatster. Na onderzoek van de wetsgeschiedenis komt de kantonrechter tot het oordeel dat in casu geen aanspraak op som ineens bestaat omdat de bepaling niet geacht kan worden te zijn bedoeld voor de onderhavige situatie waarin het verzorgende kind jarenlang bij erflaatster inwoonde. Niet bepalend is de waarde van de zorg in het economisch verkeer, maar de mate waarin de nalatenschap zou zijn verminderd indien het kind geen werkzaamheden voor erflaatster had verricht. In dat geval zou immers de arbeid van het verzorgende kind ertoe hebben bijgedragen dat ook het aandeel van de andere erfgenaam in de nalatenschap groter was (gebleven), zonder dat deze daarvoor enige inspanning zou hebben verricht. Verzorgend kind is door zijn arbeid ook zelf niet in een financieel ongunstiger postie geraakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl