Rb. Assen 17 januari 2012, ECLI:NL:RBASS:2012:BV7391
Het opgedrongen krijgen van een ander huurder als gevolg van splitsing van de oorspronkelijk huurder. Vordering van de verhuurder tot wijziging van de huurovereenkomst primair op grond van artikel 2:334r BW subsidiair op grond van artikel 6:258 BW. Artikel 2:334r BW bevat een expliciete, bijzondere regeling voor het geval dat de onvoorziene omstandigheid bestaat uit de splitsing van een partij bij een overeenkomst. Dat brengt met zich dat indien een vordering tot wijziging van de overeenkomst niet toewijsbaar zou worden beoordeeld op grond van artikel 2:334r BW, er geen plaats meer is voor toetsing aan artikel 6:258 BW, tenzij het beroep op die bepaling is gebaseerd op geheel andere gronden/een ander feitencomplex. De kantonrechter overweegt voorts dat gelet op de in artikel 2:334r BW gebezigde formulering "naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid" en de uitleg die zowel de wetgever (zie de Parl. Gesch. Boek 6, pg. 974), als de Hoge Raad (zie onder meer Hoge Raad 27 april 1984 NJ 1984/679 en 20 februari 1998 NJ 1998/493) aan die formulering bij artikel 6:258 BW hebben gegeven, te weten dat de redelijkheid en billijkheid in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord eisen en dat de rechter die bepaling met terughoudendheid moet hanteren, slechts bij uitzondering wijziging of ontbinding kan plaatsvinden.
De uitspraak op rechtspraak.nl