Rb. Assen 25 juli 2007, ECLI:NL:RBASS:2007:BB1062

Onwettig kind vordert na gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in 2005 haar deel in de nalatenschap van haar in 1982 overleden vader. In dit vonnis wordt het volgende beslist: 1. Het beroep op de legitieme is tijdig gedaan, hoewel de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap door de rechtbank in kracht van gewijsde ging nadat de termijn die in het nieuwe erfrecht geldt voor een beroep op de legitieme was verlopen (verdragsconforme interpretatie van art 4:85 juncto art.128 lid 2 Overgangswet NBW). 2. Beroep op de vernietiging van de verdeling is te laat gedaan, omdat het gaat om de verdeling van registergoed, die volgens art.3: 50, lid 2 niet buitengerechtelijk kan gebeuren. De vordering had op grond van art.3: 195 BW moeten worden ingesteld binnen een jaar nadat de beschikking inzake de vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan. Dit is niet gebeurd. 3. Wel kan eiseres op de voet van art.1: 207, lid 5 BW meedelen in het deel van de nalatenschap (alles behalve onroerende zaak) dat niet verdeeld was. Gedaagden moeten aantonen, dat dit geheel verteerd is, zoals zij stellen. De rechtbank gaat ervan uit, dat er geen verplichting bestaat tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, maar dat wat niet verteerd is in de loop van de tijd is vermeerderd door normale belegging van effecten en banksaldi.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen