Rb. Arnhem 23 juni 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ9276
Afwijzing aanvraag uitkering als vergoeding voor de excessieve kosten van een archeologische opgraving. Niet is gebleken dat aan de voor het project verleende bouwvergunningen de verplichting is verbonden voor vergunninghouder tot het doen van opgravingen, bedoeld in artikel 34a, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. Dat brengt met zich dat verweerder de bevoegdheid ontbeerde om de aanvraag in te willigen. Geen strijd met het legaliteitsbeginsel. Daartoe overweegt de rechtbank dat de aanvraag is ingediend na de datum van inwerkingtreding van artikel 34a van de Monumentenwet 1988. De omstandigheid dat artikel 34a van de Monumentenwet 1988 geen overgangsrecht kent, betekent dat het bepaalde in genoemd artikel direct in werking is getreden. Geen sprake van strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Wet op de archeologische monumentenzorg dateert van 31 december 2006 en deze op 6 januari 2007 in Staatsblad 2007, 42 is gepubliceerd. Bovendien acht de rechtbank van belang dat artikel 34a van de Monumentenwet 1988 pas in werking is getreden op 1 januari 2008, terwijl de overige onderdelen van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), waaronder genoemd artikel valt, per 1 september 2007 in werking zijn getreden. De wetgever heeft met deze vertraagde inwerkingtreding van artikel 34a Monumentenwet 1988 nadrukkelijk aan de uitvoeringspraktijk de mogelijkheid willen bieden om te anticiperen op de nieuwe wetgeving.
De uitspraak op rechtspraak.nl