Rb. Arnhem 23 maart 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BP9993
De rechtbank stelt voorop dat sinds 1 juli 2009 in de Awb een nieuw stelsel van invordering van verbeurde bestuurlijke dwangsommen van kracht is geworden (art. 5:35, 5:37-5:39 Awb). Bij de rechtsbescherming daartegen is in beginsel geen plaats meer weggelegd voor de burgerlijke rechter (art. 5:26 Awb is vervallen). Op het onderhavige geval is evenwel, blijkens de artikelen III en IV van de desbetreffende wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb, nog de oude wet van toepassing. Zowel de oplegging van de last (7 februari 2007) als het verbeuren van de dwangsom (31 maart 2009) zijn immers gelegen vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving. Volgens artikel 5:26 lid 3 Awb (oud) staat gedurende zes weken na de dag van betekening van het dwangbevel verzet daartegen open. Voor de al of niet tijdigheid van het verzet moet dus worden beoordeeld of een zodanige betekening heeft plaatsgevonden. De Nederlandse deurwaarder is daarbij kennelijk uitgegaan van toepasselijkheid van de EG-betekeningsverordering. Deze verordening is echter alleen van toepassing in burgerlijke en handelszaken en zondert "administratieve zaken" met zoveel woorden uit. Niettemin verzet er zich naar het oordeel van de rechtbank niets tegen om aan de hand van de regels uit de verordening na te gaan of sprake is geweest van een betekening als bedoeld in artikel 5:26 Awb (oud).
De uitspraak op rechtspraak.nl