Rb. Arnhem 23 september 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BN8194

Afwijzing aanvraag om bijstand ingevolge de Wwb en het Bbz 2004, omdat eiseres over een vermogen beschikte dat niet noodzakelijk was voor de uitoefening van het eigen bedrijf. De rechtbank oordeelt dat verweerder de aanvraag terecht heeft getoetst aan de bepalingen van het Bbz 2004, aangezien eiseres, gelet op artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bbz 2004 dient te worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004. Een afzonderlijke beoordeling van de aanvraag op grond van de Wwb diende in dit geval achterwege te worden gelaten. Evenwel heeft verweerder in strijd met (de strekking van) artikel 7 van het Bbz 2004 gehandeld, nu het vermogen van eiseres wel voor de uitoefening van haar bedrijf of haar beroep noodzakelijk is. Het vermogen van eiseres staat derhalve niet in de weg aan bijstandverlening op grond van het Bbz 2004. De aanvraag is ten onrechte afgewezen. Beroep wordt gegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen