Rb. Arnhem 7 september 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BJ8534
De omstandigheid dat de behandelend rechter een bepaalde nevenfunctie heeft, leidt in de onderhavige omstandigheden zonder een nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet tot een mogelijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid. Dat de gewraakte rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een andere zaak (de voorlopige voorziening) waarbij verzoekers partij waren, maakt niet dat er in de onderhavige zaak sprake zou zijn van enige vooringenomenheid of schijn van partijdigheid, temeer nu die zaak een ander besluit alsook een andere verweerder betrof. De uitspraken die verzoekers opsommen in hun pleitnota, voor zover er al vanuit kan worden gegaan dat deze ter zitting zijn gedaan, zijn geen uitspraken die in een proces-verbaal behoeven te worden vermeld. Uit deze uitspraken kan bovendien niet worden afgeleid dat er sprake was/is van enige (schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid. Daarnaast duidt een gedeelte van deze uitspraken op beslissingen, en daarmee op juridische oordelen, die volgens verzoekers niet juist zouden zijn. Verzoekers dienen deze punten in een eventueel hoger beroep in de bodemzaak waarin de voorlopige voorziening is gevraagd aan de orde te stellen. Een wrakingsprocedure leent zich niet voor een verkapt appel. Overigens hebben verzoekers in strijd met artikel 8:16, eerste en derde lid, van de Awb eerst tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek de vermeende stuitende uitspraken van de gewraakte rechter concreet benoemd alsmede de litigieuze nevenfunctie, terwijl deze al in het wrakingsverzoek zelf vermeld hadden kunnen worden. Dit is in strijd met de goede procesorde, aangezien de rechter zich hier niet tegen heeft kunnen verweren.
De uitspraak op rechtspraak.nl