Rb. Arnhem 24 april 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BJ0848
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de Stichting onrechtmatig heeft gehandeld jegens de crediteuren in het faillissement door mee te werken aan de instandhouding van meergenoemde eigendomsconstructie die uitsluitend ten doel heeft het pand te onttrekken aan het verhaal van de schuldeisers. De Stichting is op grond daarvan door deze rechtbank bij het inmiddels onherroepelijke vonnis van 7 september 2005 veroordeeld om de daardoor ontstane schade aan de curator te betalen c.q. het tekort van de faillissementsboedel aan te zuiveren. Ter verzekering van verhaal is in 2006 ten gunste van de curator c.q. de faillissementsboedel een tweede recht van hypotheek gevestigd, welk recht door de curator mag worden uitgeoefend indien en zodra het onderhavige vonnis van de rechtbank geheel of gedeeltelijk onherroepelijk is geworden. Deze laatste situatie doet zich thans voor. De Stichting weigert het door haar krachtens meergenoemd vonnis van deze rechtbank verschuldigde bedrag wegens schadevergoeding aan de curator te betalen en de curator wil nu met toepassing van de desbetreffende (onder 2.3. geciteerde) bepaling in de hypotheekakte het pand uitwinnen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:267, tweede zin BW is de curator bevoegd het pand onder zich te nemen, indien dat met het oog op de executie is vereist en mits dat uitdrukkelijk is bedongen. Dit laatste is het geval.
De uitspraak op rechtspraak.nl