Rb. Arnhem 6 oktober 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BF5923
Verzoek aan BKR om mededeling van persoonsgegevens op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens; kosten van de mededeling en de eis van deugdelijke identificatie. Artikel 35, 37 lid 2, 39 en 46 Wbp. BKR wijst een verzoek om mededeling te doen van persoonsgegevens af omdat de verzoeker zich niet in persoon heeft gelegitimeerd en geen € 4,50 heeft betaald, zoals BKR verlangt. De vraag is of de rechtbank BKR moet bevelen om alsnog mededeling te doen. Daarvoor dient beoordeeld te worden of BKR indentificatie in persoon mag verlangen en of zij € 4,50 in rekening mag brengen in plaats van € 0,23 per pagina. De rechtbank beantwoordt beide vragen bevestigend. De wet vereist deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker. BKR heeft een zekere mate van vrijheid bij de bepaling wat deugdelijk is. Van belang zijn de aard van de gegevens en de belemmering die ontstaat voor het doen van een verzoek. Omdat BKR vertrouwelijke gegevens verwerkt en een verzoek bij ieder bankfiliaal kan worden gedaan waardoor de inzagedrempel beperkt is, komt de rechtbank tot het oordeel dat BKR in redelijkheid identificatie in persoon heeft kunnen verlangen. BKR beroept zich wat de kosten betreft op de uitzondering dat de mededeling die zij moet doen "bestaat uit een afschrift van een, vanwege de aard van de verwerking, moeilijk toegankelijke gegevensverwerking". Vastgesteld wordt dat BKR bewerkelijke handelingen moet verrichten om mededeling van persoonsgegevens te doen. Met een verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van de betreffende bepaling oordeelt de rechtbank dat de verwerking moeilijk toegankelijk is. Het verzoek wordt afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl