Rb. Arnhem 28 november 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB9213

De rechtbank is van oordeel dat Dexia voldoende duidelijk gemaakt heeft hoe de effectentransacties waarom het in deze en vergelijkbare zaken gaat, in feite tot stand gekomen en uitgevoerd zijn. De rechtbank is van oordeel dat uit de in dit kader overgelegde stukken, beschouwd in onderlinge samenhang en in samenhang met de overige stukken en de op de stukken gegeven toelichtingen voldoende is komen vast te staan dat Dexia daadwerkelijk aandelen ten behoeve van haar cliënten, de gedaagde, heeft verworven. Uit de stukken blijkt dat Dexia aandelen voor zichzelf heeft verworven ten einde op de overeengekomen data aan haar verplichting tot levering van de aandelen te kunnen voldoen. In dit geval is het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 BW) dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan. Immers, aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst in rechte niet aan de orde zou zijn gekomen, indien de waarde van de aandelen ten tijde van het expireren van de overeenkomst groter zou zijn geweest dan de ter beschikking gestelde geldsom.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen