Rb. Arnhem 25 februari 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AT3859
Trefwoorden: afstand van de gemeenschap, verlenging termijn, bijzondere omstandigheden Toepasselijke wetsbepalingen: artt. 1:103, 1:104 en 1:106 BW Samenvatting: De termijn voor het doen van doen van afstand van de gemeenschap loopt af op 28 februari 2005. De vrouw verzoekt om verlenging van deze termijn voor het doen van afstand van de gemeenschap. De man verzet zich daartegen. Verlenging van de termijn voor het doen van afstand van de gemeenschap is mogelijk in geval van "bijzondere omstandigheden". De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is. Uit het onderzoek ter zitting is voldoende komen vast te staan dat de vrouw tot op heden slechts kan beschikken over summiere informatie omtrent het ontstaan en verloop van de schulden en dat deze informatie onvoldoende is voor beoordeling van de vraag of het raadzaam is afstand te doen van de gemeenschap. Het vergaren van relevante informatie door (de raadsvrouwe van) de vrouw wordt ernstig bemoeilijkt door het feit dat de vrouw sedert juni 2003 is opgenomen in een psychiatrische inrichting en zij - kennelijk - moeite heeft zaken te onthouden, alsmede door het feit dat partijen hun financiële administratie niet goed bijgehouden hebben. Toewijzing van het verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl