Rb. Amsterdam 18 augustus 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8839

Beslissing op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris op een vordering tot machtiging bevel verwijderen personen en goederen (artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering). De rechtbank komt tot de conclusie dat de rechter-commissaris heeft kunnen aannemen dat jegens de appellanten sprake was van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 138, 138a of 139 Sr omdat de bruikleenovereenkomst die de appellanten hadden gesloten om in de [naam voormalig woonzorgcentrum] te mogen verblijven (rechtsgeldig) was opgezegd, zij daar niet zijn weggegaan toen dat moest of werd gevorderd en zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat in dit geval aan hun belangen meer gewicht zou moeten worden toegekend dan aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van een strafbare feit en de bescherming van de rechten van derden boven hun huisrecht. Het beroep wordt dan ook afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken