Rb. Amsterdam 2 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7783
Wav-boetezaak. De minister heeft voor twee vreemdelingen aangenomen dat eiseres de Wav heeft overtreden en een boete opgelegd van € 24.000,-. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiseres een overtreding heeft begaan in de zin van de Wav. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van grote schuld en recidive. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de boete evenredig is. Tot slot is de rechtbank ambtshalve van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden waardoor het boetebedrag met 5% wordt verlaagd naar € 22.800,-. Het beroep is gegrond. De minister hoeft, nu het beroep alleen gegrond is doordat de rechtbank ambtshalve heeft geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden, geen proceskosten te vergoeden. Wel veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte griffiekosten.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5728
- ABRvS 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4367
- ABRvS 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2583
- ABRvS 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:960
- Hof 's-Hertogenbosch 27 september 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3097
- CBb 20 december 2022, ECLI:NL:CBB:2022:810
- ABRvS 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1973
- ABRvS 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1112
- ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:996