Rb. Amsterdam 13 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6178
Vonnis verdeling. IPR. Het door de vrouw gestelde belang om niet over te gaan tot verdeling van de echtelijke woning (ex artikel 3:178 lid 1 BW) is niet aanmerkelijk groter dan het belang van de man om wel over te gaan tot verdeling. Niet is gebleken dat de vrouw de echtelijke woning kan overnemen en ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij daartoe in de toekomst wel in staat zal zijn. De vordering van de vrouw op dit artikellid wordt afgewezen. De vordering van de man ex artikel 3:174 lid 1 BW wordt ook afgewezen. De vordering van de man heeft als doel te komen tot verdeling van de echtelijke woning en daarvoor geldt het bepaalde in artikel 3:185 BW. De noodzaak om tot een behoorlijke verdeling te geraken, kan niet als gewichtige reden in de zin van artikel 1:174 lid 1 BW worden aangemerkt. De woning zal conform het zogenaamde “spoorboekje” worden verkocht, hetgeen toekomt aan zowel het belang van de man als de vrouw. Partijen zijn het eens over de wijze waarop de bankrekeningen worden verdeeld. De vorderingen van partijen ex artikel 843a (oud) Rv slagen niet. Partijen hebben voorts overeenstemming bereikt ten aanzien van de verdeling van de auto’s en inboedel.
De uitspraak op rechtspraak.nl