Rb. Amsterdam 28 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1119
Mededingingsrecht. Vrachtwagenkartel. Vervolg op het tussenvonnis van 15 mei 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:3574, ‘stelplichtvonnis’). De discussie tussen partijen spitst zich nu vooral toe op de omvang van de stelplicht waaraan de Claimanten moeten voldoen om de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure te halen. Die drempel is niet hoog, het is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. De rechtbank hoeft daarom in beginsel in deze procedure alleen te beoordelen of de Truckfabrikanten onrechtmatig jegens de Claimanten – althans de Afnemers/Achterliggende partijen – hebben gehandeld en dus aansprakelijk zijn voor de door de Afnemers/Achterliggende partijen dientengevolge geleden schade. Dit zijn echter geen ‘gewone’ procedures: veel Afnemers hebben ervoor gekozen hun vorderingen over te dragen aan litigation vehicles. Omdat het geen ‘gewone’ procedures zijn en omdat de rechtbank een oordeel moet geven over een groot aantal vorderingen (het gaat in deze Eerste groep Truckzaken om meer dan 200.000 vrachtwagens) – en de Truckfabrikanten zich daartegen moeten kunnen verweren – voert de rechtbank regie in deze zaken.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Amsterdam 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089
- Conclusie A-G Hartlief 17 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:845
- Hof Amsterdam 6 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1940
- Rb. Amsterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2391
- Rb. Amsterdam 15 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3574
- Hof Amsterdam 24 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3013
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2000:689
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:103
- Rb., ECLI:NL:RBAM:2022:4466