Rb. Amsterdam 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089

Mededingingsrecht. Vrachtwagenkartel. Tweede groep Truckzaken. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 27 juli 2022 in de eerste groep Truckzaken onder meer een oordeel gegeven over het toepasselijk recht op de vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad. De rechtbank heeft in dat tussenvonnis geoordeeld dat op de vorderingen van de Claimanten Nederlands recht van toepassing is. Voor de vorderingen die zijn ontstaan vóór 11 januari 2009 volgens de regels van artikel 4 lid 1 Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad (WCOD) en voor de vorderingen die na 11 januari 2009 zijn ontstaan, op de voet van artikel 6 lid 3 sub b Rome II. De rechtbank heeft daarbij aangeknoopt bij het arrest van het gerechtshof van 6 juli 2021 (Aircargo). Gedaagden in die zaak hebben cassatieberoep ingesteld tegen het oordeel van het hof over het toepasselijk recht. Met de Truckfabrikanten denkt de rechtbank inmiddels dat bij het oordeel uit het tussenvonnis van 27 juli 2022 vraagtekens kunnen worden geplaatst. Op grond van artikel 4 lid 1 WCOD moet om het toepasselijk recht te bepalen worden vastgesteld waar de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen heeft beïnvloed. Op grond van artikel 6 lid 3 sub a Rome II is het recht van toepassing van het land waar de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt (de ‘marktregel’). Over de toepassing van de marktregel bestaat weinig Nederlandse jurisprudentie. Het Europees Hof van Justitie heeft zich nog niet uitgelaten over de toepassing van de marktregel van artikel 6 lid 3 sub a Rome II. Gelet op onder meer jurisprudentie over de bevoegdheidsregels in Brussel I-bis, zou de conclusie zijn dat bij toepassing van de marktregel (in ieder geval die van artikel 6 lid 3 sub a Rome II) voor de bepaling van het toepasselijk recht op de vorderingen van de Claimanten (die zelf vrachtwagens of transportdiensten hebben afgenomen) en (indien dat niet het geval is) de Achterliggende partijen moet worden aangeknoopt bij het recht van de plaats waar de vrachtwagens of transportdiensten zijn afgenomen. Deze uitkomst bergt wel het risico in zich dat op de vordering van een directe afnemer van een vrachtwagen (dikwijls een transportonderneming) en die van een indirecte afnemer van transportdiensten verschillende rechtsstelsels van toepassing kunnen zijn. Met betrekking tot artikel 4 lid 1 WCOD meent de rechtbank dat voor alle vorderingen van voor 11 januari 2009 verdedigbaar is dat wordt aangeknoopt bij het land waar de eerste afnemer van de vrachtwagen waarop de vordering betrekking heeft is gevestigd. In het tweede tussenvonnis in de eerste groep Truckzaken heeft de rechtbank overwogen dat een benadeelde partij steeds een rechtskeuze kan doen voor het recht van het aangezochte gerecht, mits aan de (stringente) voorwaarden van artikel 6 lid 3 sub b Rome II is voldaan. In de literatuur wordt betoogd dat deze ruime uitleg van artikel 6 lid 3 sub b Rome II onjuist is en dat de rechtskeuzemogelijkheid alleen geldt voor een gelaedeerde die in meerdere landen schade lijdt. Dit lijkt de rechtbank bij nader inzien juist. De rechtbank wil daarom prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad over de criteria die moeten worden toegepast om het toepasselijk recht vast te stellen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over dat voornemen en over de aan de Hoge Raad te stellen vragen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken