Rb. Amsterdam 25 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2665

Overlevering. Vervolging. Poolse rechtstaat. De hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’. Artikel 11 OLW juncto artikel 47 van het Handvest. In zeven Poolse EAB’s (ten behoeve van vervolging) is de overlevering (grotendeels) toegestaan (voor een deel van de feiten van EAB I is de overlevering is geweigerd). De rechtbank ziet in de gevoerde verweren geen omstandigheden die naast de vastgestelde systemische gebreken de conclusie kunnen dragen dat de hoedanigheid van “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6 lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan de betreffende Poolse rechterlijke instanties dient te worden ontzegd. De rechtbank concludeert voorts dat de aangevoerde omstandigheden, ieder voor zich en ook in samenhang bezien, geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden opleveren op grond waarvan een reëel gevaar bestaat van schending van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces wegens structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat, als de opgeëiste persoon aan Polen wordt overgeleverd. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW is niet van toepassing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken