Rb. Amsterdam 22 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6316

Na de arresten van het Hof van Justitie van de EU van 27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (OG en PI) en C-509/18 (PF), is de rechtbank in verschillende zaken met betrekking tot verscheidene lidstaten gebleken dat de wetgevingen van de betrokken lidstaten niet voorzien in een beroep in rechte tegen de beslissing tot uitvaardiging van het EAB zoals bedoeld in overweging 75 van het arrest OG en PI. In deze gevallen betrof het EAB’s ten behoeve van strafvervolging en stelden zowel de uitvaardigende autoriteit als het Nederlandse Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat overweging 75 van dat arrest niet ziet op het geval waarin aan het EAB een beslissing van een rechter of rechterlijke instantie ten grondslag is gelegd. De rechtbank kan zich niet met dat standpunt verenigen. In dit geval strekt het EAB tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. In een dergelijk geval ligt noodzakelijkerwijs een beslissing van een rechter of rechterlijke instantie aan het EAB ten grondslag. Zowel de uitvaardigende autoriteit als de Nederlandse officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat overweging 75 niet van toepassing is in geval van een EAB dat strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Omdat over de uitleg van de arresten van 27 mei 2019 op meerdere punten verschil van opvatting bestaat tussen de rechtbank en uitvaardigende autoriteiten uit andere lidstaten – zoals ook blijkt uit de verwijzingsbeslissingen die de rechtbank vandaag in twee andere zaken neemt – en zulke verschillen van opvatting onwenselijk zijn, vindt de rechtbank het raadzaam om ook dit geschilpunt aan het Hof van Justitie voor te leggen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken