Rb. Amsterdam 4 juni 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4010
Executie-EAB België. Tussenuitspraak. In twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 27 mei 2019 (ECLI:EU:C:2019:456 en ECLI:EU:C:2019:457) heeft het Hof uitleg gegeven aan het begrip ‘uitvaardigende justitiële autoriteit’. Dit begrip heeft geen betrekking op de openbare ministeries van een lidstaat die het risico lopen dat zij in een individueel geval rechtstreeks of indirect worden aangestuurd door of instructies ontvangen van de uitvoerende macht in het kader van de vaststelling van een besluit over de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB). De rechtbank oordeelt dat in de arresten van het Hof geen onderscheid tussen EAB’s ten behoeve van vervolging en EAB’s ten behoeve van executie valt te lezen. Omdat het EAB is uitgevaardigd door het Federaal parket van België te Brussel, wordt het onderzoek heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit, in het licht van de arresten van het Hof, te bevragen over – kort gezegd – de deelname aan de rechtsbedeling in België door het Federaal parket, de onafhankelijkheid van het Federaal parket ten opzichte van de uitvoerende macht en de eventuele mogelijkheid om in rechte op te komen tegen de uitvaardiging van een EAB door het Federaal parket.
De uitspraak op rechtspraak.nl