Rb. Amsterdam 10 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3461
Beroep gegrond. Onder zich onttrekken als bedoeld in artikel 8c, tweede lid, van de AOW is te verstaan (1) de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, (2) de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en (3) door Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel te komen. Omdat vanuit Justitie geen pogingen zijn ondernomen om [naam eiser] de vervangende hechtenis te laten ondergaan, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van ‘onttrekking’ als bedoeld in artikel 8c, tweede lid, van de AOW. Het standpunt van de Svb dat er ook geen pogingen konden worden ondernomen om [naam eiser] de vervangende hechtenis te laten ondergaan omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats had, wordt niet gevolgd. Het e-mailadres en het telefoonnummer van [naam eiser]waren namelijk bij de Svb bekend en daarnaast meldde [naam eiser] zich, conform de afspraak met de Svb, eens in de drie maanden bij de vestiging van de Svb in Leiden. Via deze kanalen had Justitie een poging kunnen ondernemen om [naam eiser] de vervangende hechtenis te laten ondergaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl