CRvB 9 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3507
Tussenuitspraak. Het AOW-pensioen is met ingang van 1 november 2011 beëindigd op de grond dat betrokkene zich onttrok aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in artikel 8c, tweede lid, van de AOW. Appellant is gehouden te beoordelen of betrokkene zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Daaraan doet niet af dat de Svb in betekenende mate voor de benodigde gegevens afhankelijk is van het CJIB of andere justitiële organen. De Svb is - anders dan in de aangevallen uitspraak is geoordeeld - niet gehouden betrokkene voorafgaande aan de beëindiging van het pensioen met toepassing van artikel 8c, tweede lid, van de AOW (met behulp van een vooraankondiging) in de gelegenheid te stellen te reageren op de voorgenomen intrekking en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen. De stelling dat de beëindiging van het pensioen zonder enige aankondiging in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM moet worden verworpen. Bij de invoering van artikel 8c van de AOW is een overgangstermijn van zes maanden opgenomen in artikel 64a van de AOW. Er is geen aanleiding aan te nemen dat een langere overgangstermijn aangewezen zou zijn. In dit geval is onvoldoende onderbouwd of betrokkene zich op de datum in geding aan de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf heeft onttrokken. De Svb heeft verzuimd opheldering te geven over de vraag om welke reden de officier van justitie kennelijk in de veronderstelling was dat betrokkene geen straf meer hoefde te ondergaan. De Svb moet nader onderzoek moeten doen en onderbouwen of betrokkene afgaande op de mededelingen van de justitiële organen heeft mogen aannemen dat de tenuitvoerlegging is geschorst dan wel van de tenuitvoerlegging is afgezien.
De uitspraak op rechtspraak.nl