Rb. Amsterdam 16 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1274
EAB Roemenië, handhaving uitstel beslissing i.v.m. detentieomstandigheden, uitleg Muršiç (EHRM) Vastgesteld is dat voor de opgeëiste persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden bestaat bij overlevering naar Roemenië, specifiek de gevangenis in Codlea. Het sterke vermoeden van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden kan ingevolge Muršiç v. Croatia (EHRM) normaal gesproken enkel worden weerlegd wanneer overige factoren cumulatief – en dus niet in samenhang – aanwezig zijn. De factor of de periode die de gedetineerde in de cel doorbrengt voldoende kort, incidenteel en beperkt is, ziet op de gehele duur van de detentieperiode in de desbetreffende cel, in plaats van de duur van het verblijf op cel per etmaal. De overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren, waarbij hij na een vijfde van zijn straf naar de gevangenis in Codlea zou kunnen worden overgeplaatst. Alleen al om die reden is het sterke vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest niet weerlegd. De rechtbank handhaaft de uitstel van de beslissing over de overlevering.
De uitspraak op rechtspraak.nl