Rb. Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:8763
Aan eiseres is een bestuurlijke boete opgelegd wegens één overtreding en aan haar is een aanwijzing gegeven op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko). Eiseres stelt dat zij de overtreding niet heeft begaan en heeft voorts met name aangevoerd dat verweerder het rapport van de toezichthouder van de GGD niet ten grondslag mocht leggen aan de besluitvorming. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1105) dat artikel 1.61 van de Wko bepaalt dat verweerder de directeur van de GGD als toezichthouder aanwijst. Volgens de Memorie van Toelichting bij dit artikel mandateert de directeur zijn toezichthoudende bevoegdheden vervolgens aan medewerkers die werkzaam zijn als toezichthouder met betrekking tot de Wko. Verweerder heeft de directeur bij het besluit “Aanwijzen GGD als toezichthouder kinderopvang, peuterspeelzalen en voorschoolse educatie” van 31 mei 2011 aangewezen als toezichthouder op de kwaliteitseisen die in de Wko zijn opgenomen voor onder andere de kinderopvang. Met datzelfde besluit is het de directeur toegestaan in zijn plaats medewerkers aan te wijzen die onder zijn verantwoordelijkheid als toezichthouder optreden. Van deze mogelijkheid heeft de directeur gebruik gemaakt middels het ondermandaatbesluit van 7 april 2010. Uit dit besluit blijkt dat mandaat is verleend aan - onder andere - de inspecteur kinderopvang voor de bevoegdheid ‘toezichthouder ingevolge de artikelen van de Wko, behoudens voor het geven van een schriftelijk bevel op grond van artikel 65, derde lid, van de Wko’. De betreffende toezichthouder is blijkens het aanstellingsbesluit van de GGD van 29 oktober 2010 met ingang van 1 januari 2011 aangesteld als inspecteur kinderopvang. Deze benadering is overeenkomstig de hiervoor aangehaalde Memorie van Toelichting. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is van een sluitend systeem van toezicht en mandaat en concludeert dat de toezichthouder bevoegd was om als toezichthouder een inspectie uit te voeren bij eiseres. Onder verwijzing naar genoemde uitspraak van de Afdeling ziet de rechtbank – mede gelet op de Memorie van Toelichting – voorts geen grond voor het oordeel dat de aard van de toezichthoudende bevoegdheid (artikel 10:3, eerste lid, van de Awb) zich ertegen verzet dat de directeur anderen mandateert om in zijn plaats als toezichthouder op te treden.
De uitspraak op rechtspraak.nl