Rb. Amsterdam 28 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6695

Wet Bopz: Verzoek tot rechterlijk oordeel inzake beslissing tot opname. Voorwaarde en termijn voor beslissing geneesheer-directeur tot opneming betrokkene op grond van art. 14d lid 1 Wet Bopz na afloop geldigheidsduur machtiging voortgezet verblijf; art. 5 lid 1 onder e EVRM. De rechtbank is van oordeel dat een verzoek tot voorwaardelijke machtiging de eerder gegeven machtiging voortgezet verblijf doet voortduren overeenkomstig artikel 48 lid 1 aanhef en onder b Bopz. De termijn voor de beslissing op een verzoek voorwaardelijke machtiging bedraagt ingevolge artikel 14a lid 4 juncto 9 lid 1 BOPZ bij personen die van hun vrijheid zijn beroofd drie weken. De aanvang van deze termijn dient redelijkerwijs te worden gesteld op het moment van gedwongen opname. Het stond de geneesheer-directeur vrij het voorwaardelijk ontslag in te trekken en dat het verblijf van betrokkene op een gesloten afdeling van een psychiatrische instelling berust op een wettelijke grondslag, zodat dit niet in strijd komt met artikel 5 EVRM. Het verblijf van betrokkene op een gesloten afdeling is derhalve niet onrechtmatig en het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling zal worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken