Rb. Amsterdam 4 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5819

Vordering ex artikel 2:342 BW ontnemen stemrecht aan de pandhouder)afgewezen. Rechtbank ziet geen aanleiding om in het kader van een vordering op de voet van artikel 2:342 BW eerder aan te nemen dat sprake is van een voor het vennootschappelijk belang schadelijke gedraging dan in het kader van een vordering op de voet van artikel 2:336 BW. Integendeel. Ter voorkoming van de uitholling van een pandrecht als zekerheidsrecht in het financieel verkeer zal het vennootschappelijk belang onder omstandigheden moeten wijken voor het belang van de pandhouder. Grens: misbruik van recht als bedoeld in artikel 3:13 BW. Terughoudendheid is geboden bij de beoordeling of een gedraging van een pandhouder dusdanig schade toebrengt aan het vennootschappelijk belang dat hem zijn stemrechten moeten worden ontnomen op de voet van artikel 2:342 BW. Aartikel 2:336 BW spreekt van gedragingen verricht ‘in de hoedanigheid van aandeelhouder’. Uitgangspunt is dat het bij de toepassing van dat artikel steeds moet gaan om (daadwerkelijke) gedragingen van de aandeelhouder. De rechtbank oordeelt dat het bij toepassing van artikel 2:342 BW moeten gaan om daadwerkelijke gedragingen van de stemgerechtigde pandhouder.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen