Rb. Amsterdam 30 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4075
Ten aanzien van overtreding 1 voldoet de last, in samenhang gelezen met de rapporten van de toezichthouder, niet aan de daaraan te stellen eisen. Ten aanzien van overtreding 2: Verweerder is bevoegd om handhavend op te treden, indien de overtreding voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar is. Een eventuele vaste gedragslijn mag geen (nadere) normstelling bevatten. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld in de uitspraak van 1 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2694, geven de wetsartikelen in geding (de artikelen 1.50, tweede lid en 1.51 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen) naar het oordeel van de rechtbank in evidente gevallen wel voldoende grondslag om handhavend op te treden. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan situaties waarbij een risico-inventarisatie of een plan van aanpak ontbreekt of waarbij (nagenoeg) geen samenhang aanwezig is tussen risico en maatregel. De rechtbank is van oordeel dat van de in de inspectierapporten genoemde voorbeelden niet kan worden gezegd dat sprake is van zodanig gebrek aan samenhang tussen risico en maatregel dat het voor eiseres op voorhand duidelijk had moeten en kunnen zijn dat sprake was van boetewaardig gedrag. Ten aanzien van overtreding 3 heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan hij stappen, zoals opgenomen in het Afwegingsmodel, heeft overgeslagen en direct is overgegaan tot het opleggen van een boete.
De uitspraak op rechtspraak.nl