Rb. Amsterdam 14 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2123
“Wet Wajong - Wajong 2015; aanvraag ná 10 september 2014 en vóór 1 januari 2015; temporele werking van wetgeving; begrip ‘duurzaam’ in de zin van artikel 2:4 van de Wet Wajong; artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015. De aanvraag moet op grond van de temporele werking van wetgeving worden beoordeeld aan de hand van de Wet Wajong. In de situatie van eiseres is ten tijde van het bereiken van de 18-jarige leeftijd geen sprake van een blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in de zin van artikel 2:4, tweede lid, van de Wet Wajong. Dit betekent dat eiseres niet duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 2:4, eerste lid, van de Wet Wajong. Voor eiseres is daarom geen recht op arbeidsondersteuning ontstaan op de dag waarop zij haar aanvraag heeft ingediend. Het recht op arbeidsondersteuning ontstaat dan niet eerder dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag werd ingediend, maar dit recht ontstaat op grond van artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015 niet indien dit zou ingaan op of na 1 januari 2015. Eiseres heeft haar aanvraag ingediend op 7 oktober 2014, zodat zij geen recht heeft op arbeidsondersteuning. Verweerder was niet gehouden de aanvraag mede te beoordelen aan de hand van de Wajong 2015. Nu de aanvraag is gedaan in 2014 en eiseres in 2014 de 18-jarige leeftijd heeft bereikt, verzet de temporele werking zich tegen een beoordeling aan de hand van de regelgeving die gold ten tijde van het primaire besluit.”
De uitspraak op rechtspraak.nl