Rb. Amsterdam 22 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9902

Niet in geschil is dat met het verstrekken van een inkomensindicatie door de Belastingdienst aan een verhuurder sprake is van verwerking van persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wbp. De staatssecretaris van Financiën heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval artikel 8, aanhef en onder c, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing is. Artikel 7:252a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek geen uitdrukkelijke verplichting van de inspecteur om een indicatieve verklaring van het huishoudinkomen op het betrokken adres te verstrekken. Dat uit artikel 19a, vijfde lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen volgt dat de staatssecretaris afgifte van een verklaring kan weigeren, impliceert geen wettelijke verplichting om een verklaring te verstrekken. De Uitvoeringsregeling verklaring van de rijksbelastingdienst over huishoudinkomen voor een inkomensafhankelijke huurverhoging bevat evenmin een verplichting tot het verstrekken van een verklaring. Deze bevat slechts een omschrijving van welke verhuurder een dergelijke verklaring kan krijgen, waaraan het verzoek moet voldoen wil de Belastingdienst het in behandeling nemen en op welke wijze de verklaring wordt verstrekt. Voor artikel 5a, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 geldt hetzelfde, omdat in dit artikellid uitsluitend de directeur van de Belastingdienst/Centrale Administratie wordt aangewezen als de inspecteur die de verklaring verstrekt. Gezien het voorgaande is in dit geval artikel 8, aanhef en onder f, van de Wbp van toepassing en heeft de staatssecretaris het verzet van de huurder ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen