Rb. Amsterdam 22 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:6789
Wrakingsverzoek afgewezen. De door de voorzitter getroffen (orde)maatregel kan ook zonder expliciete verwijzing naar een wetsartikel berusten op een wettelijke grondslag. Anders dan door verzoekers is aangevoerd, zijn de door de voorzitter te geven bevelen of te nemen maatregelen niet limitatief in de wet opgesomd. De beslissing is ook niet zó onbegrijpelijk is, dat die beslissing niet anders dan door vooringenomenheid kan zijn ingegeven. Dat de schorsing van de voorlopige hechtenis door de rechtbank is teruggedraaid, is een beslissing die de rechtbank toekomt. Welke afweging daarbij wordt gemaakt is ter beoordeling aan de rechtbank. Uit de motivering van de beslissing blijkt niet dat de rechters zich al voortijdig een oordeel hadden gevormd over de uitkomst van de strafzaak. Het onderzoek ter zitting was immers in beide zaken al afgerond. Op grond van artikel art. 67a lid 3 Sv lid 3 Sv was de rechtbank ook gehouden een inschatting te maken over het risico dat de hervatting van de voorlopige hechtenis er toe zou leiden dat de verzoekers langer in voorlopige hechtenis zouden doorbrengen, dan de duur van een op te leggen vrijheidsstraf. Dat is geen onbegrijpelijke beslissing. De opmerking van de voorzitter dat de beslissing van doen heeft met de te nemen beslissing in de strafzaak geeft evenmin blijk van enige voor ingenomenheid. Er is immers geen aanleiding te veronderstellen dat de voorzitter daarmee iets anders heeft beoogd dan er uitdrukking aan te geven dat de rechtbank zich van het voorschrift van artikel art. 67a lid 3 Sv lid 3 rekenschap heeft gegeven.
De uitspraak op rechtspraak.nl