Rb. Amsterdam 26 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4764

Wet Mulder, verkeersboete. Dwangsommen. Officier van justitie beslist op administratief beroep zonder betrokkene in de gelegenheid te stellen om de gronden van beroep aan te vullen, hoewel daarom was verzocht. Betrokkene dient beroep bij kantonrechter in. Nadat officier van justitie nalaat (tijdig) het beroep door te zenden verzoekt betrokkene het administratief beroep te herzien en te vernietigen. Omdat een besluit uitbleef heeft betrokkene het CVOM in gebreke gesteld. Het verzoek is afgewezen en het bezwaar daartegen is niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit laatste besluit dient betrokkene ook beroep bij de kantonrechter in, waarbij is verzocht om dwangsommen vast te stellen. De kantonrechter overweegt dat de herzieningsmogelijkheid als bedoeld in artikel 4:6 Awb is uitgesloten in artikel 7:27 Awb. Het verzoek om de beslissing op administratief beroep te herzien is dan ook geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb. Er zijn geen dwangsommen verbeurd als gevolg van het aanvankelijk uitblijven van een reactie. De reactie van de officier van justitie is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroepschrift tegen de verkeersboete is ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard. De verkeersboete zelf is terecht opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken