Rb. Amsterdam 8 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2651

Mede gelet op de uitspraak van de ECSR van 1 juli 2014 is de rechtbank van oordeel ook meerderjarige vreemdelingen zonder geldige verblijfsstatus een onvoorwaardelijk recht hebben op toegang tot onderdak, voedsel en kleding om te voorkomen dat deze personen hun basale levensbehoeften wordt onthouden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat op de Staat geen rechtsplicht rust om uitgeprocedeerde vreemdelingen een opvang- en verzorgingsniveau te bieden dat gelijk is aan het niveau dat zij tot dan toe in het land van verblijf hebben ontvangen dan wel dat uitstijgt boven het niveau dat nodig is ter voorkoming van een humanitaire noodsituatie. Er bestaat dus in zijn algemeenheid geen verdergaand recht dan een recht op een sobere basisvoorziening. Een aanspraak op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo bestaat niet als de noodzaak daartoe ontbreekt omdat gebruik gemaakt kan worden van een specifieke feitelijke voorziening. De rechtbank overweegt dat sinds vele jaren als uitgangspunt heeft gegolden dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf gelet op het koppelingsbeginsel als onder meer tot uitdrukking gebracht in artikel 10 van de Vw 2000 geen aanspraak kunnen maken op voorzieningen, zoals maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Op grond van artikel 8 van het EVRM kan onder omstandigheden een doorbreking van het koppelingsbeginsel aan de orde zijn. De rechtbank heeft het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW5328) aangehaald. De Hoge Raad heeft in dit arrest vastgelegd dat gezinnen met minderjarige kinderen zonder geldige verblijfstitel niet op straat terecht mogen komen. Dit arrest vormde de grondslag voor het instellen van zogenoemde gezinsopvanglocaties. Voorts heeft de rechtbank verwezen naar de beslissing van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) van 1 juli 2014 (gepubliceerd op 10 november 2014) inzake CEC en FEANTSA tegen Nederland (EHRC 2015/24) en de op die beslissing gevolgde uitspraken voorzitter van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) in voorlopige voorziening van 17 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4259, ECLI:NL:CRVB:2014:4178 en ECLI:NL:CRVB:2014:4179). De voorzitter van de Raad heeft bepaald dat de gemeente dient te voorzien in nachtopvang, een douche, ontbijt en de avondmaaltijd. De rechtbank is van oordeel dat niet aan de beslissing van het ECSR kan worden voorbijgegaan. Hoewel geen sprake is van een juridisch bindende uitspraak, wil dat niet zeggen dat het oordeel van het ECSR zonder betekenis is. De rechtbank is thans, in het licht van het standpunt van het ECSR, van oordeel dat het verstoken zijn van toegang tot (enig) onderdak, eten en kleding voor vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel het respect voor de menselijke waardigheid zodanig raakt dat dit leidt tot een situatie waarin het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op privéleven van een persoon onmogelijk wordt gemaakt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) meermalen heeft geoordeeld dat hij het respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als the ‘very essence’ van het EVRM aanmerkt. Daarom geeft de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van een “fair balance” tussen het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een consequente en restrictieve immigratiepolitiek enerzijds en het belang van de illegale vreemdeling bij het recht op een menswaardig bestaan en privéleven als beschermd door artikel 8 van het EVRM. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er andere mogelijkheden zijn voor de Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en dat de aanzuigende werking van het verlenen van opvang niet is onderbouwd. De rechtbank komt op grond van een en ander tot het oordeel dat het recht op een basale opvangvoorziening een onvoorwaardelijk recht is, ook voor meerderjarige vreemdelingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken